Homepage > Documents > Musician Interview

"De bassisten hebben nu eenmaal een dienende functie. Toch ga ik elke dag graag naar het orkest"

Een dieetgesprek met Erik Winkelmann, aanvoerder contrabassen in het Metropole Orkest

Woensdag 14 mei 2008, Erik Winkelmann slaat de lunch in het Muziekcentrum van de Omroep over om iets te vertellen over zijn positie als aanvoerder contrabassen in het Metropole Orkest.

Opleiding en achtergrond

Bassist Erik Winkelmann heeft, zoals de meeste andere strijkers in het Metropole Orkest, een klassieke opleiding. Die wilde hij vervolgen met een jazz-studie aan het Amsterdamse conservatorium. Erik: "Toen ik werd toegelaten, kreeg ik een agenda probleem, omdat ik die dagopleiding niet kon combineren met mijn zojuist aangevangen baan bij het Metropole Orkest. Ik heb nog een tijdje geprobeerd om bij mijn docenten vrij te krijgen, omdat ik bijvoorbeeld die week een MO project deed met Herbie Hancock. Dat ging toch conflicteren; maar volgens mij waren de Amsterdamse docenten ook wel een beetje jaloers, dat ik met al die beroemde mensen mocht werken."

De akoestische bas speelt Erik ook in andere formaties. Recent is hij toegetreden tot een trio (bandoneon, saxofoon en bas) met een tango nuevo en jazz idioom. Hij en zijn collega Arend Liefkes zijn in beperkte mate ook thuis op andere instrumenten zoals de basgitaar en de gitaar. Dat helpt hen bij de interactie en de afstemming met de ritmesectie in het orkest. Erik: "De bas in de ritmesectie is altijd harder dan de contrabassen; in principe horen zij ons nooit. Als er een identieke partij in de ritme-bas en die van ons staat, dan passen wij ons aan. Soms doe ik wel eens een verzoek voor een specifieke timing, of om exact te spelen wat er staat. Aram Kersbergen en Boudewijn Lucas zijn specialisten op de bas in de ritmesectie; zij nemen meer vrijheid en voegen al improviserend elementen toe aan hun partij. Bijvoorbeeld gebeurt het wel eens dat zij in een Latin stuk behalve de grondtoon tussendoor ook de kwint in het lagere oktaaf spelen. Als dat dan leidt tot een merkwaardige kwart-sext akkoordligging, omdat de contrabassen die noot niet hebben, dan overleggen we om volgens de notatie te spelen. Je kunt niet met de bassist meegaan, omdat de improvisatie elke keer anders is. Als daarentegen een ritmische baspartij om veelvuldig arco vraagt, dan speel ik die; in de ritmesectie zit de specialist voor geplukte bas of basgitaar."

De contrabassen in de strijkersgroep van het MO

Erik Winkelmann vertelt: "Normaal spelen we met twee contrabassen, zoals ook gebeurt bij een klassiek kamerorkest, maar bij de producties onder leiding van Vince Mendoza breiden we de groep altijd uit naar drie bassen. Vince houdt van een sterke lage strijkerssound, en voor ons mengt de klank dan gemakkelijker. Dat is net zo als bij de violen, die ook drie of meer instrumenten bevatten. Dat leidt tot een homogene klank. Sowieso, in elke groep een lessenaar erbij, dat zou enorm veel verschil uitmaken, ook qua volume. Over het algemeen spelen we minder dan in de klassieke muziek. Denk aan de muziek uit de Romantiek en aan Beethoven, waar de contrabassen alles dubbelen met de celli, voor zover mogelijk dan. Dat komt bij ons veel minder voor. Ook een contrabas-solo is een uitzondering. Er is wel eens een semi-klassiek programma, waarbij we relatief meer te doen hebben. Laatst hebben we La creation du monde van Darius Milhaud uitgevoerd, of denk aan het project met Egberto Gismonti. Wel is het zo dat in de grote stukken van Vince eigenlijk altijd wel een passage staat voor strijkers puur, al is het soms maar een halve minuut. Wat hij schrijft is trouwens altijd mooi; het klopt ook altijd. Hij is waanzinnig stijlgevoelig." Over instrumentale virtuositeit merkt hij op: "Daarvoor moet je in principe niet bij het Metropole Orkest zijn. Maar, als contrast, binnenkort doen we een Jobim project en daar zitten passages in waar ook klassieke contrabassisten behoorlijk hun tandjes in zouden moeten zetten. Chiel Meijering is ook zo iemand; die kan soms ook ontzettend moeilijke muziek schrijven. Dus de basistechniek en de 'chops', die moeten toch wel goed zijn."

Erik vervolgt: "We hebben als bassisten nu eenmaal een dienende functie. Wij leveren een bijdrage aan een muzikaal geheel. Toch ga ik elke dag graag naar het orkest. Het is bij ons niet super-hiërarchisch, zoals in een klassiek orkest, waar je duidelijk ondergeschikt bent aan de concertmeester. En het is ook leuk om al die solisten te beluisteren, die bij het orkest te gast zijn." Op de vraag over feedback aan arrangeurs antwoordt hij: "Bij de arrangers workshop koppelen we natuurlijk dingen terug. Die hebben vaak geleerd om voor een groot strijkorkest te schrijven. Dat zien wij dan terug in de bladmuziek, waarbij als voorbeeld de ene bas een tremolo moet spelen, terwijl de ander gewoon strijkt. Dat effect komt bij een contrabas-duo gewoon niet uit de verf. Pizzicato of arco is meestal wel duidelijk, maar ook de frasering kennen we soms pas door goed naar de blazers te luisteren."

Techniek en de contrabas

Erik vertelt over zijn eigen instrument: "Ik heb thuis een viersnarige bas van Jean Auray uit Frankrijk. Later heeft dezelfde bouwer op mijn verzoek voor het Metropole Orkest een vijfsnarige versie geleverd. Het komt bij bassisten niet zo vaak voor dat het orkest- en het thuisinstrument van dezelfde maker zijn, maar voor mij is dat zeer prettig. Beide contrabassen hebben gewoon hetzelfde gevoel, dezelfde mensuur. Alleen is de bredere toets met de vijfde snaar soms verwarrend; als ik na een week terugkom in de studio moet ik oppassen dat ik niet ineens op een te lage snaar zit te spelen."

Over versterking en monitoring vertelt hij: "Wij bassisten kunnen onszelf altijd moeilijk horen, tenzij we in een klassieke setting spelen zoals laatst voor de NPS met het programma Music Hall in het Muziekgebouw aan het IJ. En dus hebben we weinig controle; het meetrillen van een snaar en de zuiverheid, dat gaat allemaal op gevoel. Daarom moet je gewoon een hoofdtelefoon gebruiken. Vroeger werkten we wel met een microfoon en monitor luidsprekers, maar dat was echt niet optimaal. Wat ik nu heb is een recent Realist piëzo-elektrisch element, bevestigd onder de baspoot. Dat element heb ik eerst in de VS geprobeerd, en dat is later door het orkest voor alle bassen overgenomen. Het voordeel is dat dit element geen overspraak heeft en bruikbaar is voor zowel arco als pizzicato klanken. Het geeft een goede klank, al blijven de gestreken tonen het meest kritisch, want die zijn veel complexer en er verdwijnen toch wat boventonen. Geluidstechnicus Paul Power gebruikt het geluid van het element zelfs in de mix van de lage strijkersklanken voor de zaalversterking. Alleen bij opnames wordt het niet meegenomen. En we kunnen onze eigen mix over de koptelefoon samenstellen."

Over de strijkstok het volgende: "Ik ben mijn muziekopleiding in Duitsland begonnen en hanteer dus een onderhandse stokvoering. Mijn collega, Arend Liefkes, houdt de strijkstok op Franse wijze vast. In een klassiek orkest was dat vroeger niet zo gebruikelijk, omdat dat bij een live-concert een ander beeld geeft. Tegenwoordig zie je steeds meer gemengde groepen en ook bij ons in het orkest is dat geen probleem. Het geeft ook een aparte menging van de klanken, en dat is toch toegevoegde waarde. Qua op- en afstreek, we krijgen natuurlijk vaak nieuwe muziek op de lessenaar, soms zonder tempo- of sfeeraanduiding. Dan ken je de feel ook niet. Dan baseer je de streken op wat je tijdens de eerste repetitie hoort. Waar nodig stemmen we de streken wel af met de celli; dat ziet er op een podium natuurlijk beter uit; voor een opname is het nauwelijks relevant."

Conclusie

Erik vat zijn ervaring bij het MO samen: "Ik vind het altijd leuk. Ook om al die solisten te horen spelen. Het is gewoon geweldig." Helaas duurt de lunchpauze te kort, en Erik Winkelmann keert terug naar de studio. Toch hebben we een kijkje in die andere keuken mogen nemen, waarvoor dank.